Op mijn artikel over speciaal zijn kreeg ik waardevolle reacties. Heel begrijpelijke ook. "De vraag is waar mensen meer mee gediend zijn", schreef iemand, "realiseren dat je niet speciaal bent, omdat iedereen in feite hetzelfde is, of, mensen laten inzien dat ze iets bijzonders te brengen hebben aan de wereld, aan hun naasten, aan hun omgeving. Ik kies voor het laatste, omdat het eerste, hoewel ik het met de essentie eens ben, volgens mij te vaak juist tot apathie leidt. En ik wil zo graag die lichtjes in ogen zien...". Dat is erg waar en waardevol.
Dus hoe maak je dit praktisch, een zinnige overweging in plaats van een theoretisch idee dat vooral leidt tot een gevoel van saaiheid en zinloosheid? Ik denk dat we een onderscheid moeten maken.
Misschien is het zo: op het diepste niveau zijn we één met elkaar. We zijn niet alleen gelijk aan elkaar, we zijn zelfs één met elkaar. Op het diepste niveau is alles één en sterk verbonden. Daar komt nu zelfs de natuurkunde achter. Dit is mooi, want dat eenzijn verbindt ons met elkaar, maakt het mogelijk dat we elkaar begrijpen in onze ervaringen van pijn en vreugde.
Vanuit dat eenzijn, vanuit die gezamenlijke bron, hebben we misschien allemaal een unieke ziel, iets wat ons 'eigen' maakt. Een meegekregen unieke vorm. Die is heel zichtbaar bij mensen als je ze op een bepaalde, aandachtige, onvoorwaardelijke manier bekijkt. Ieder heeft een eigen uitstraling. Die uitstraling is het bijzondere van mensen, dat wat de lichtjes in de ogen geeft. De schittering. Daar zit ook je inspiratie, je kracht, je eigenheid. Dat zien bij jezelf en anderen brengt je in contact met de kwetsbaarheid én de kracht ervan.
En dan is er een laag waarover de Cursus in Wonderen het heeft. Want omdat je vaak ergens in je unieke ziel geschrokken bent, beschadigd of pijn gedaan, heb je je puurheid verborgen. Je hebt jezelf een masker aangemeten, dat misschien lijkt op wie je ten diepste bent, maar dat je door de jaren heen zelf gecreëerd hebt. Je kunt niet zijn wat je zelf gecreëerd hebt. Dat is een onmogelijkheid. Je doet je best je masker voor je ware zelf te 'verkopen' want beschadigingen aan het masker doen je werkelijke zelf geen pijn, zo denk je. Het is een bescherming van je ziel.
Je masker is je persoonlijkheid, je karakter. Het verwijst onmiskenbaar naar je unieke ziel of essentie. Door je persoonlijkheid heen schijnt je unieke zelf. Maar je persoonlijkheid of je masker is niet wie jij in essentie bent.
Je weet ergens diep vanbinnen dat jij niet je masker bent. Dat maakt je kwetsbaar. Dat geeft je een gevoel makkelijk uit evenwicht gebracht te kunnen worden, ontmaskerd te worden, gezien in al je kwetsbaarheid.
Het is een opdracht, een grote opdracht (bestaat er een grotere?), om je masker te leren kennen en het onderscheid tussen jouzelf en je masker te ervaren. Misschien kun je het dan eens afdoen en vertrouwen dat wat daaronder zit goed is. Dat brengt je naast kwetsbaarheid ook openheid, contact met je eigen inspiratie, en met die van anderen. Het geeft een dieper contact, want datgene tussen jou en de ander speelt geen hoofdrol meer.
(Lees ook het boek "de Maskermaker" van Wibe Veenbaas, Joke Goudswaard, en Henne Arnolt Verschuren.
Zie ook een eerder verschenen artikel getiteld Masker.)